Boze burgers en het Oekraïnereferendum

Naar aanleiding van de column van Nelleke Noordervliet 9 april 2016.

Maarten van Rossem schreef in 2010 al een analyse van de boosheid als factor in de politieke stellingname van ‘de Nederlandse kiezer’ in het boek Waarom is de burger boos? Nelleke Noordervliet geeft in haar artikel van 9 april 2016 in vijf alinea’s een samenvatting van het fenomeen. Dit naar aanleiding van het eerste raadgevende referendum dat heeft plaatsgevonden, met een uitslag van 61 procent tegen en 38 procent voor ( 1 procent afronding, blanco of ongeldig ).

Noordervliet signaleert de rare tegenstelling dat uit onderzoek steeds weer blijkt dat Nederlanders erg tevreden zijn, maar dat onder Nederlanders toch boosheid, rancune en wantrouwen heersen over de politiek en het bestuur. “(…) de afkeer van de intellectuele elite, van bestuursters, bankiers en andere bobo’s, is echt. Mensen voelen zich daadwerkelijk veronachtzaamd en niet gehoord. Ze zijn bang. Hoe een bestuurder ook luistert, wat hij ook doet om inspraak van iedereen te waarborgen, een groeiende groep kansarme laagopgeleiden heeft de pest aan kansrijke hoogopgeleiden en wil dat graag zo houden.”

Daar kan je wat mij betreft wel tegenover stellen, dat democratie gaat over de volkswil of het algemeen belang. Kansarme laagopgeleiden zijn deel het volk. De stem van elke kansarme laagopgeleide telt mee en dient in de democratie serieus te worden genomen.

De veronderstelling in het stuk van Noordervliet is echter, dat de stem van de kansarme laagopgeleide een stem uit rancune is, die zich uit in een strategie van tegenwerking : “Ze verlangt niet veel van de mens behalve een permanent ‘nee’. Het ‘nee’ hoeft nimmer te onderhandelen, verliest nooit, geeft de machteloze een gevoel van macht.”

Ik denk dat het begrip ‘kansarme laagopgeleide’ versluiert wat aan de hand is. Het gaat volgens mijn om de machteloze, of die nu hoog- of laagopgeleid is, die ontwikkelingen waarneemt die beangstigen en onzeker maken. Boosheid kan een uiting zijn van angst en onzekerheid. Door boos te zijn lijkt het alsof je het negatieve ten goede kunt keren. Als ik kijk naar het referendum van de afgelopen week zie ik vele hoogopgeleiden die ‘nee’ hebben gestemd, op grond van redelijk afgewogen argumenten en op grond van het rancuneuze argument ‘omdat ze maar doen zonder zich iets van mij aan te trekken’. Of op grond van in redelijke argumenten verpakte rancune, wie zal het zeggen.

Wat ook meespeelt is, dat Nederlanders nogal egalitair zijn in hun sociale denken. Macht is hier informeel, aan formele machtsuitoefening hebben wij een hekel : “Wil jij mij vertellen wat ik moet doen ? Dat zullen we nog wel eens zien.” Lees Herman Pleij hier eens op na. Niet voor niets hebben buitenlandse leidinggevenden die anders gewend zijn het daar moeilijk mee. De Nederlander kan zelf wel bedenken wat hij vindt en hij weet het vaak beter dan de leidinggevende, maar ja, die luistert niet.

Wat dat betreft is het pleidooi voor een meer directe democratie via elektronische middelen interessant. Er is een hoop mogelijk en het zou interessant zijn om op die manier de wil van het volk te horen, hoewel die in allerlei media al ruimschoots aan bod komt in opiniepeilingen en programma’s waarin gestemd kan worden. In Zwitserland werkt de stem des volks tenslotte ook al eeuwen, lees je dan. En in Zwitserland werd het vrouwenkiesrecht al in 1971 ingevoerd ( Nieuw Zeeland 1893, Finland 1906, Noorwegen 1913, Rusland 1917 ), een jaar na Jemen en tien jaar na Burundi, Malawi, Paraguay, Rwanda en Sierra Leone ( bron : gendergeschiedenis.nl ).