Op deze blog staat een aantal berichten over discriminatie van vrouwen en geen enkel over racisme, terwijl racisme de afgelopen jaren behoorlijk in het nieuws is geweest. Dat is toch een geval van dichtbij en veraf. Het sterft van de vrouwen om mij heen, in mijn werk, in de stad, in het dorp, in de winkel en vooral in mijn gezin. In mijn gezin is mijn geslacht in de minderheid. Mijn dochters zijn slim en toch wacht hun een tweede plaats naast mannen, puur omdat de mannen dat geslacht hebben. Ik heb geen mensen om mij heen met een andere huidskleur dan wit of zelfs met een andere derde, vierde of vijfde generatie migratieachtergrond. Waarschijnlijk stam ik zelf af van Duitse seizoensarbeiders die naar Nederland kwamen, maar die waren wit, denk ik. En één van mijn collega’s ( op het platteland in het noorden ) is de zoon van een geïmmigreerde Molukker ( een geschiedenis van schande en schuld voor Nederland, trouwens ). Een andere collega is waarschijnlijk van Surinaamse afkomst, maar ze is zwijgzaam, we hebben er nooit over gepraat. En dat op de zeshonderd collega’s !
Er zijn weinig situaties in mijn dagelijks leven waarin ik mijn racisme kan toetsen. Ik vind dat zwarte piet niet meer kan en dat het Nederlandse slavernijverleden veel meer aandacht moet krijgen, maar het blijft ver van mijn bed. Ik merk wel dat het gewoner en gewoner wordt om mensen met een niet-inheemse achtergrond te zien : Humberto Tan, alle sporters die voor Nederland medailles winnen, diverse conferanciers, Hugo Walker, de voetbalcommentator Avsaroglu. En in mijn werk kom ik meer en meer niet-Nederlandse namen tegen onder e-mails. Het is een kwestie van tijd dat we met verbazing en afschuw terugkijken op onze vooroordelen en onze hardvochtigheid.