
Daar kan je best tegen als je de kou toelaat en gewoon voelt. Net als je vingers tegen de kou kunnen als je sneeuwballen gooit.

Daar kan je best tegen als je de kou toelaat en gewoon voelt. Net als je vingers tegen de kou kunnen als je sneeuwballen gooit.

Op weg terug naar huis van de zweethut.
Begin van de winter.

Het was prachtig mistig weer. De foto is van een dag later.
Als je vanuit het noorden de Champsaur binnenrijdt kan je afslaan naar links, naar Saint-Firmin. Daar begint het dal van La Séveraisse dat Le Valgaudemar heet. Diep in het dal ligt de camping Les Bouleaux, een fantastische camping met schaduw en aan de rivier. Met overal borden die de evacuatieroute aangeven voor het geval de Séveraisse door een regenbui buiten zijn oevers treedt. Het is dus niet handig om je tent meteen naast de rivier op te zetten. Ik zette mijn tent dus pal naast de rivier op. Daarna merkte ik hoeveel lawaai de rivier wel maakte.
Verder had ik het geweldig naar mijn zin. Op de plek helemaal links op de foto baadde ik elke dag een paar keer. Vreselijk koud, maar heerlijk.

Tegen de avond, als de bergwandelaars weer naar huis zijn, reed ik naar de parkeerplaats bij het Hôtel du Gioberney, dat aan het einde van de bergweg ligt. En erg lelijk is. Zowel de P als het hotel. Ik liep het pad op, de vallei rechts in, in de richting van Mont Gioberney. Eén of twee wandelaars nog, de laagstaande zon op de bergtoppen en de ijsvelden. Een oorverdovende stilte. Stilstaan, stil zitten en luisteren en kijken.

De eerste keer dat ik er was zat een muziekgroep te oefenen in een camper, opgeleukt zoals het een muziekgroep betaamt. Met z’n vijven of zessen, inclusief contrabas. Steeds hetzelfde stukje herhalen, iets folk-achtigs, samenvloeiend met het zicht op de vallei en de bergen.
De camping kostte € 6,50 per nacht. Alle noodzakelijke sanitair was beschikbaar, schoon en heel. Er was een wasmachine, een ijskast en slechtweerruimte. Heel basis allemaal, maar beschikbaar. Stopcontacten voor de telefoon. Geen broodjes, maar die kon je halen in La-Chapelle-en-Valgaudémar, een paar kilometer verderop, waar de winkel ook een uitgebreide sortering kaas en levensmiddelen had. Voor een dorpswinkel.
A Journey to the Heart of Celtic Britain, door Nick Mayhew -Smith, 2019.
Ja, naakt is een onderwerp en de schrijver gaat een paar keer naakt. De kluizenaar komt nauwelijks voor. ‘Naakt’ verkoopt natuurlijk goed, maar het boek is èn een serieuze verkenning van de omwenteling van het Keltisch christendom naar het Romaanse christendom in Groot-Britannië van zeg de zesde tot de negende eeuw1 èn een verkenning van de mogelijkheid van een natuurgerichte spiritualiteit ( binnen het christendom ), opgehangen aan een aantal heilige plaatsen, en met kledingloosheid.
Het helpt om je voor te stellen hoeveel mensen in Britannië leefden in de eerst duizend jaar na Christus. Dat moeten even meer dan twee miljoen mensen zijn geweest. Er was dus veel natuur, veel wildernis. Volgens het christendom was de natuur net als de mens verdorven door de erfzonde. Met dank aan Augustinus en helaas voor Pelagius2. Volgens het Keltisch christendom kon die verdorvenheid worden ingeperkt door heiligen, diepgelovige mensen. Een mens die bijvoorbeeld de zee kalmeerde door naakt in het ijskoude water te bidden.
Bijzonder is het verband tussen het Ierse en Britse christendom en de woestijnvaders. Hoe ver de afstand ook lijkt, in afstand en in geografische omstandigheden, de Keltische levensbeschouwing lijkt meer affiniteit te hebben met de woestijnkluizenaars dan de continentale, Romeinse. Het is sowieso interessant om je te realiseren hoe veel en ver mensen ook in die tijd al reisden, met de beperkte middelen en onder de moeilijke omstandigheden van die dagen.
Verder is het boek een verhaal over de langzame bekering van het eiland tot het Romeinse katholicisme, met al het opportunisme dat machthebbers van alle tijden kenmerkt.
Het christendom kent, of kende, een traditie van ascetisch nudisme. Ascese betekent verzaking, in de letterlijke zin van afzien van spullen ( en daarnaast uiteraard van voeding en seks, maar dat zijn geen zaken ). En als kleding spullen zijn, betekent verzaking naakt zijn. De religieuze kledingloosheid is langzaam uit de geschriften verwijderd. Maar het menselijk lichaam is onontkoombaar deel van Gods schepping. Mayhew-Smith stelt dan ook ‘It can also be (…) a vehicle to experience and understand the divine.’ Dat heilige aan den lijve ervaren is ook een thema in dit boek.
Voor mij was dat een openbaring. Ik ben niet opgegroeid met naturisme, maar wel in een deel christelijk gezin en in een vrijzinnig christelijke omgeving, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Ik vond het fijn om naakt te zijn, maar zag dat niet anders dan recreatief of vermoedde een verband met seksualiteit. Dat naakt zijn ook spiritueel kan zijn daagde bij de eerste keren dat ik deelnam aan zweethutceremonies. Maar dat naakt ook een plaats kan hebben in het christendom ( en had maar er stilletjes uit geschrapt werd ) was een openbaring en een opluchting.
Noten
1) Het boek is gebaseerd op onderzoek door de schrijver voor het behalen van een universitaire graad.
2) Ik zou een volgeling van Pelagius zijn geweest.
En natuurlijk overal naakt zwemmen, een verworvenheid uit de DDR-tijd. Het DDR-museum in Berlijn ( druk ! ) heeft er een vitrine over.




Instagram : @allisonwanderland3




Je graaft een kuil, zet daar een geraamte overheen van takken, dekt het af met dekens, bij gebrek aan huiden. Dan maak je een brandbult waar je stenen op legt. Het hout steek je aan. Je moet minstens twee uur wachten tot de stenen gloeiend heet zijn. Je trekt met z’n allen je kleren uit, neemt plaats in de hut, gooit wat gloeiende stenen in de kuil en daar wat water over. Een sauna, dus. Maar die sauna zet je in een religieuze context en dan wordt het een gebedsruimte. Gras en modder, aarde, vuur, water, lucht, naakte lichamen, naakte geesten. Vier ronden met elk een thema, zoals ‘gezin’.
Hoewel de oorsprong ligt in één van de Indiaanse volken uit de VS maken we er onze eigen religie van ( ja, dat is culturele toeëigening, maar je moet wat als de eigen cultuur alleen maar het woord van de Bijbel kent, in een koud, stenen gebouw – Joods / Christelijk, weet je nog – wat, als je even nadenkt, ook culturele toeëigening is ). De openheid en het vertrouwen tussen complete vreemden is geweldig. Dank aan alle hutgenoten.
Zie bijvoorbeeld kasteeldeschans.com, bij Maaseik ( België ). Het fijne van deze organisatie is, dat je blijft slapen en dus niet vol van alle indrukken en moe van de lichamelijke inspanning ’s avonds moet reizen.

Het regende en het waaide en het was koud maar een goed begin

Een prachtig boek over deze bijzondere filosoof, die filosofeerde zonder een letter te schrijven, met zijn bestaan en met zijn lijf. De man die afzeek en, in het verlengde daarvan, plaste, poepte en masturbeerde in het openbaar. Die zijn lijf hardde tegen kou, hitte, honger en ontbering. Dat alles in de naam van de onafhankelijkheid en de vrijheid.
Inger Kuin behandelt in acht hoofdstukken deze aspecten van leven en leer van Diogenes :
>> Zie ook De filosoof, de hond en de bruiloft door Barbara Stok