Jongens zijn geen meisjes

Cat:

Waarom jongens geen meisjes zijn. Wat je weten moet als je jongens opvoedt, Koos Neuvel, 2006.

1. De hersenen van jongens en meisjes verschillen. Dat verschil ontstaat al voor de geboorte en neemt toe onder invloed van hormoonvloeden. De invloed van de hormoonvloeden hangt af van de omvang van die vloeden en het moment dat ze optreden in verhouding tot de ontwikkelingsfase van de vrucht / het kind.

2. Jongens zijn groepswezens, veel meer dan meisjes (blz. 57). Meisjesgroepen bestaan uit 3, 4, 5 meisjes, jongensgroepen zijn groter. Alle jongens van één klas zijn bijvoorbeeld een groep.

3. Jongens willen macht (status). Ze zijn steeds bezig de hiërarchie in de groep vast te stellen (hs. IV). Ze doen dat door wedstrijdjes. Alles is aanleiding tot wedstrijdjes.

4. Meisjes zijn egalitair. Opvallen is gevaarlijk. Een meisje dat te veel opvalt ligt buiten de groep. Dat maakt meisjes bescheiden.

5. Jongens worden jongensachtiger en wilder bij andere jongens. Dat is de enige manier om aandacht te krijgen van en invloed te hebben op andere jongens (54).

6. Omdat jongens zelf de baas willen zijn hebben ze altijd een probleem met auroriteit en zijn ze dus opstandig en ongehoorzaam (60-62), bijvoorbeeld in de klas.

7. Een stabiele hiërarchie voorkomt gewelddadigheid en geeft rust. Verstoring van de groep door een nieuw groepslid of een nieuwe samenstelling van de groep leidt tot de drang de hiërarchie opnieuw vast te stellen en daarmee tot schermutselingen en onrust.

8. Voor jongens zijn regels belangrijk, ook al omdat bij jongensspelen meer deelnemers zijn dan bij meisjesspelen. Jongens maken tegelijk meer ruzie over de regels, maar ze zijn dan weer snel in het vaststellen van de uitkomst, om vervolgens weer verder te gaan. Meisjes hebben minder behoefte aan regels omdat hun status er niet vanaf hangt en omdat ze ruzie vermijden, maar áls ze ruzie hebben lossen ze die veel minder snel op.

9. Het streven naar macht door jongens is een oefening in sociaal gedrag.

10. Goed vechten vereist zelfbeheersing en sociaal vermogen / inlevingsvermogen. Jongens die herhaaldelijk te ver gaan plaatsen zich buiten de groep (115-117).

11. De leider kan niet volstaan met autoritair gedrag maar moet zijn leiderschap bewijzen door diensten aan de gemeenschap te bewijzen (74). Voor de ondergeschikte moet het aantrekkelijk zijn om bij de groep te horen. Niet de gewelddadigste wordt leider maar degene die goed vrede kan stichten.

12. Bij problemen zoeken meisjes steun en willen jongens iets doen (81).

13. “Jongens (…) opereren in relatief gesloten groepen. Dit vergroot de kans op gedrag dat de buitenwereld afkeurt, maar dat groepsgenoten juist erg aantrekkelijk vinden. En in zulke gevallen weeg het oordeel van die groepsgenoten altijd het zwaarst.” (130 )