Vanaf de parkeerplaats waar we de auto’s zetten is de waterval te zien waar we straks uit zullen komen. Heel in de verte zijn witte streepjes te zien onderaan een steenrode rots, zo klein en zo ver weg, dat ik de consequenties niet besef.

Eerst moeten we afdalen naar de rivier de Loup ( wolf … ). De stenen in de rivier zijn blauwig wit, niet steenrood zoals de rest van de rotsen. De afdaling is glibberig, ook al zijn de stenen droog. We waden de Loup door naar de overkant. Over de puinhelling naast de berg met de watervallen klauteren we naar boven. De stenen hier zijn scherp. Daardoor geven ze houvast. Als ik omkijk is de helling veel steiler dan ik dacht. En bij nader inzien enger.


Boven stappen we in de beek en gaan we de rots in. Daarna is het aan één stuk door abseilen. Met een groep van deze grootte is het doorwerken en veel wachten. Dat kan meestal alleen in het water, veel ruimte om droog te staan is er niet. Voor de eersten is er plek op een glibberige rots, de rest moet in het water staan. Dat is ijzig en al gauw onprettig. Zon komt niet in de canyon.

Verbazend genoeg komen we een boomstam tegen met allemaal kleine slangetjes. Renier raadt ons aan uit de buurt te blijven. De slangetjes kunnen zich in je wetsuit vastbijten. Ergens in de rots heeft het water een rond gat uitgesleten. We moeten erdoorheen duiken.


Waar we uit de berg komen valt de beek in een reeks watervallen naar beneden, de watervallen die we vanaf de parkeerplaats konden zien. Ik kijk heel voorzichtig en angstig over de rand. Ik kan niet zien waar het water neerkomt. Het lijkt 150 m hoog. In werkelijkheid is het veel minder. We dalen af in vier etappes. Na elke etappe moeten we even wachten, maar daar is nauwelijks ruimte voor. We staan op kluitjes naast en in het water, op wat maar een veilige afstand van de afgrond lijkt, maar niet echt veilig voelt. Door de continue confrontatie met de hoogte ben ik continu gespannen. Ik vind het niet leuk meer, ik vind het vreselijk.
Ik ben niet eens blij als ik beneden ben, in een poel, waar Fransen liggen te zonnen, poedelen en ons bekijken. Als Renier me vraag wat ik er van vond, zeg ik ‘vreselijk’, maar ook, dat als het kon ik de hele toch zo weer wil doen, om te oefenen. We poedelen wat rond, laten ons de warmte welgevallen, eten, drinken en genieten van de waterval en de plek, die van de onderkant prachtig is.

NB : Een clue is een canyon.
























