1. Populisme is “normal pathological condition of modern democracies” ( Scheuch, Klingemann, Theorie des Rechtsradikalismus in westlichen Industriegesellschaften, 1967 ) of “… het onkruid dat groeit in de kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie” ( Waarom is de burger boos ?, Van Rossum, 2010 ).
2. De stellingen van het populisme :
– Er is een volk. Het volk is zuiver.
– Er is een elite. De elite heeft de macht. De elite is corrupt ( bezorgt zichzelf rijkdom en meer macht, gebruikt de macht voor eigen doelen en willekeurig ).
– De populistische leider weet wat het volk wil.
– De populist geeft de macht terug aan het volk ( een populistische beweging is meestal geformeerd rond een leider, die tenminste enig charisma heeft ; er is geen partijkader waaruit regelmatig nieuwe leiders voortkomen ).
3. Kritiek op het populisme :
– Er is geen volk. Het volk heeft tegengestelde meningen en wensen. Het is een betrekkelijke eenheid.
– Zodra de populist aan de macht komt, is deze elite. Onherroepelijk zal blijken, dat hij een deel van het volk niet vertegenwoordigt. Er ontstaan nieuwe mogelijkheden voor andere populisten.
– De populist kan geen maatregelen nemen die op de lange termijn wel goed zijn voor het volk maar die het volk niet prettig vindt. Dan zou hij net zo handelen als de elite die hij bestrijdt, namelijk niet de wil van het volk doen.
4. Het populisme heeft gelijk dat de leiding van een land een elite vormt. Besluitvormingsmacht is altijd in handen van een groep mensen dat klein is ten opzichte van de mensen zonder besluitvormingsmacht. Het cruciale punt is volgens mij de mate waarin de elite voeling houdt met en kennisneemt van de problemen van hen die men leidt en werkt aan de oplossing van hun problemen.
5. Van Rossum ( titel zie boven ) noemt de jaren 60 jaren van links populisme : het streven naar directe macht aan de burger door middel van het referendum, de gekozen minister president, de afschaffing van het koningschap. D’66 is volgens hem een populistische partij. ‘Het volk’ is de arbeidersklasse. Rechtse populistische partijen waren Boerenpartij ( Hendrik Koekoek ), Nederlandse Volkspartij ( Hans Janmaat ) en recent de LPF ( Pim Fortuyn ), TON ( Rita Verdonk ), en de PVV ( Geert Wilders ).