11 juli 2010 is een warme dag. Ik ga naar Ameland. Ik heb een tweedehands slaap- plus bivakzak gekocht en ik wil slapen op het strand. De drie kilometer over het eiland zijn zwaar door de warmte. Op het strand is het koeler. Ik loop drie kwartier tot een uur, dan rust ik even, zwem even, eet een hapje chocolade. Dan weer verder. In de namiddag ben ik bij de NAM-lokatie. De duinen wijken, het strand wordt een vlakte. Ik zwem, eet en lig op het strand met zo weinig mogelijk kleren aan. Loop nog een kilometer verder. Hier blijf ik slapen. Het is geen probleem niets te doen terwijl het licht afneemt en blauwer wordt. Vogels staan te rusten aan de waterlijn. Het wordt kouder, ik moet kleren aan en als de zon onder is kruip ik al gauw in de slaapzak.

Om twaalf uur word ik wakker van druppels op mijn gezicht. In de verte weerlicht het, een prachtig gezicht.
Een kwartier later begint het te rommelen.
Weer een kwartier later krimp ik in elkaar van de continue bliksemflitsen en de donderslagen, een aantal per minuut. Het regent en het waait in vlagen zo hard dat ik mijn rugzak moet vasthouden. Ik kan nergens heen. Ik durf niet naar de lage duinen te lopen, een paar honderd meter verderop, en ik besef dat als de bliksem vlakbij inslaat ik het gevaar loop van stroom die door de natte bodem heenloopt. Op het platte strand lijkt me op mijn hurken zitten ook niets.
Het duurt eindeloos voor het onweer ophoudt en ik weer kan inslapen. Na drie kwartier begint het opnieuw. Pas om een uur of drie, half vier wordt alles rustig.
’s Ochtends is alles nat. Ik probeer naar huis te bellen maar heb geen bereik. Ik breek zo snel mogelijk op, loop zo snel mogelijk richting bewoonde wereld, maar pas na een paar kilometer is het eerste telefooncontact mogelijk.
