Wat een krachtmens. Dochter van een partizanenheld en een ontwikkelde partizanenheldin, beide belangrijk in het Joegoslavië van Tito, beide met krachtige nukken, beide Slaven zoals Marina Abramovic ze typeert : geweldig kunnen liefhebben en geweldig kunnen haten, tegelijk.

Marina Abramovic is één van de belangrijkste performance artists, zelfs één van de uitvinders van de kunstvorm. Ze doet performances met geweldige lichamelijke en geestelijke inspanningen en ontberingen, een paar keer met kans op de dood.
Haar herinneringen beginnen met een levendige beschrijving van haar jeugd. Die maakt haar verdere leven en carrière begrijpelijker. Daarna volgt een opsomming van haar werken en haar leven, de mensen, ontmoetingen, relaties. Leven en werk lopen in elkaar over. Bijzonder vind ik hoe gaandeweg het boek de verbinding van haar leven en werk met spiritualiteit zichtbaar wordt, door haar leven met Aboriginals en de beschrijving van hun droomwereld, endoor haar contacten met en verblijf bij Tibetaanse boedistische monniken. En dan is er nog de Brazilaanse sjamaan.
Het is ook zo’n boek dat in het begin interessant is. De kennismaking met de hoofdpersoon, haar gezin, de jeugd, het begin van de carrière. Daarna wordt het een carrièreoverzicht een opsomming van werken en mensen. Alleen de uitstapjes naar religie en spiritualiteit zijn dan nog bijzondere momenten. Zoals in haar An artists life manifesto : een kunstenaar moet de stilte begrijpen en toelaten, tijd maken voor lange perioden van eenzaamheid, weg van alles, een kunstenaar moet lange perioden bij watervallen doorbrengen en bij uitbarstende vulkanen, lang naar de horizon kijken bij de zee en lang naar de sterren kijken, enzovoort.