Binnert woont met zijn moeder in een villa aan de Vecht. Hij is 35. Hij is nog nooit buiten de tuin geweest ( je bent niet goed, zegt zijn moeder, de dokters weten niet hoe het zit ). Op uitnodiging van de moeder komt Vera op bezoek. Ze verleent sekszorg. Vera, gestudeerd, wereldwijs, valt voor Binnert, die dan wel mank is, maar het lijf heeft van een bouwvakker en het verstand van een geleerde, die harp speelt, literatuur leest, muziek kent. Vera wil Binnert, Vera krijgt Binnert ,het huis uit.
Schrijver Merijn de Boer heeft een lichtelijk absurd verhaal geschreven, dat grappig is en met een enorme vaart leest. Je komt idiote maar vanzelfsprekende mensen tegen, natuurlijk de moeder en de zoon, maar ook een harpiste met een afvalgeur. En hoe normaal zijn de normale mensen eigenlijk, Vera, de sekszorgverlener, het meisje bij de bushalte, de homo’s.
Bij mij sudderde eindeloos na de vraag hoeveel je van de wereld kunt weten door je huis en je tuin niet te verlaten in een wereld waar afwisseling en reizen synoniem zijn voor ontwikkeling. Kan je een ontwikkeld mens zijn, professor, bodybuilder en musicus zonder je in de wereld de begeven ? En hoe ontwikkeld is Vera met al haar ervaringen in de wereld ?
Hieronder heb ik een aantal mooie stukken uit het boek overgetypt als illustratie. Het is natuurlijk gemakzuchtig en flauw om hele stukken van het boek over te typen, maar Merijn de Boer schrijft een stuk beter dan ik, dus laat ik hem schrijven. Koop vooral zelf het boek en lees het zelf, het is geen prijs voor zoveel gedachten.
Over de beleving
“Hij was niet alleen in de tuin. Hij wist dat ze er zaten, misschien wel vlak bij waar het ston, maar hij on ze inhet donker niet onderscheien. Als de schemering inviel, dan renden er konijnen op het gras, die vervolgens roerloos ergens bleven zitten. Het waren er soms wel meer dan tien. Met hun donkere vacht waren ze vrijwel onmogelijk te ontdekken. Ze verraadden zichzelf pas als ze weghupten met hun witte staart in de lucht. Een geliefd spel van hem was om in de avonduren vanuit zijn raam naar het grasveld te turen, net zo lang tot er iets wits verscheen en zich verplaatste. ” ( blz. 38 )
“Hij stond inmiddels helemaal aan het einde van de tuin, zo ver mogelijk van het huis vandaan. Het was een heerlijk fris gevoel, zijn voeten in het vochtige gras. Voor even dacht hij aan niets en voeolde, ademde en luisterde hij alleen maar, met zijn ogen dicht. Het ruisen van de win en het riitselen van de bladeren brachten hem in een milde droomtoestand, die hem weer naar zijn bed deed verlangen. Terwijl hij terugliep naar het huis, veere er zowel links als rechts een witte staart op.”
Aristotoles
“Door te zitten en te rusten wordt men wijs” ( toegeschreven aan Aristotoles, blz. 49)
De weddenschap
Het verhaal ‘De weddenschap’ van Tsjechov is voor Binnert de verantwoording voor zijn bestaan. “In het verhaal houden een jurist en een bankier een weddenschap. e jurist krijgt twee miljoen robel als hij zich vijftien jaar lang laat opluiten in het tuinhuis van de bankier. Hij mag niemand zien en geen kranten ontvangen. Hij mag wel een muziekinstrument hebben ( een piano ) en alle boeken bestellen die hij wil. De jurist verdiept zich, dag en nacht lezend, in alle mogelijke onderwerpen. Na vijftien jaar is hij een huiskamergeleerde pur sang : ‘Ik weet dat ik wijzer ben dan u allemaal,’ schrijft hij in zijn afscheidsbrief, waarin hij afstand doet van de twee miljoen. Die vijftien jaar heeft hem wijsheid en levensinzicht gebracht, en dat zonder ooit zijn gevangenis uit te komen. Het bedrag betekent niets meer voor hem.” ( blz. 61 )
Het is het beeld van de kluizenaar, die wijs wordt door zijn beperking. Ik vraag me dan af, of hij niet zozeer wijs is, maar anders en bijzonder, afwijkend van de doorsneemens en daardoor bij een ontmoeting met de doorsneemens alleen maar anders doet en slechts de doorsneemens even uit diens doorsneeroutine haalt, zodat die een bijzondere ervaring heeft.
Tegen de keer
Op blz. 98 vertelt Binnert over het boek Tegen de keer van Huysmans. “Dat boek gaat over een kluizenaar die Parijs ontvlucht en op het Frnase platteland is gaan wonen. Op een dag besluit hij om naar Londen te gaan. Hij reist naar Parijs, gaat daar in een Engesachtig café zitten en bestelt een Engelse port en blue stilton-kaas. Buiten regent het Brits en hij probeert zich de reis naar Engeland voor te stellen. Uiteindelijk heeft hij in die Fransebistro een Britse ervaring die voldoende voor hem is en die zijn reis naar Engeland overbodig maakt. Hij keert voldaan terug naar zijn kluizenaarswoning.”
Reizen in literatuur
“Dankzij Gogol ken ik het Russische platteland, nota bene hoe het hondervijftig jaar geleden was (…) Ik heb aan de hand van Céline de Eerste Wereldoorlog meegemaakt ; hij heeft me naar een terrasje op het Place de Clichy gebracht, naar Afrika, Manhattan en een goor, armoedig steegje in Parijs. En hij heeft me bovendien een volkomen eigen stem laten horen. De manier waarop hij schrijft is zo eigen en zo fonomenaal, dat hi me niet alleen de plekken die ik net noemde heeft leren kennen, maar ook de wereld van zijn kunstwerk, een volledig opzichzelfstaande, schitterende wereld van taal. En zo kan ik nog wel doorgaan : door Moravia heb ik Rome gezien, door Kaváfis Griekenland, door Falubert het Mideln-Oosten. Ik ken zelfs allemaal plekken en steden die helemaal niet bestaan ! Ik ken mensen die nooit geleefd hebben maar die ik als mijn beste vrienden beschouw.” ( blz. 99-100 )
Tot slot
Het is wel duidelijk zo, denk ik. Anders vind je op bladzijden 107, 108, 109, 126, 127 en 129 nog vergelijkbare stukken. Maar vanaf bladzijde 130 komen Vera’s reisverhalen aan bod. Tot bladzijde 136 krijg zij een podium. Waar Vera stelt, dat de reisindrukken een gevoel van leven oproepen dat niet te vinden is in het dagelijks leven, daar stelt Binnert tegenover, dat het juist de kunst is om schoonheid te ontdekken in het bekende : “Je hoeft niet te proberen om het voor het eerst te zien, je moet juist kijken met de ogen die het al duizenmaal hebben wargenoemn, die versuft zijn geraakt, en die je weer wakker moet schudden door aandachtiger te kijken.” ( blz. 136 )