Gefrustreerd hebben we onze Coleman Multifuel achtergelaten in Duitsland. Gelukkig liet hij ons dit keer pas op de laatste dat van de kanotrektocht in de steek. We waren na een lange dag peddelen, we hadden er al vijf dagen opzitten, toe aan eten. Tot dan toe had hij twee weken lang probleemloos gebrand, netjes op ultraschone, nieuwe Colemanfuel, maar nu gaf hij niet meer dan een waakvlammetje. Eindeloos proberen, natuurlijk, maar op den duur was hij helemaal dood. Met ons Campingaz-brandertje hebben we daarna twee liter ravioli op avondmaaltemperatuur proberen te krijgen, wat de vermoeide maag wel op de proef stelde. En het humeur.
Tijdens de vorige vakantie had de brander het al na twee dagen begeven. Ik had er loodvrije benzine in gedaan. Op de doos en op de brander zelf staat namelijk ‘unleaded fuel’. Prikken hielp niet. De techneut van camping Stortemelk op Vlieland demonteerde de voorverwarmingsbuis – er rammelde een minuscuul onderdeeltje uit dat we wisten te redden, ook lekker handig als je kampeert tussen de grassprieten – die we schoon probeerden te maken. Het hielp niets. We hebben maar een nieuwe gasbrander gekocht.
De eerste opmerking van de winkelier waar ik het ding inleverde was : ‘dan heeft er vervuilde benzine in gezeten’, een fijne omdraaiing van oorzaak en gevolg : doordat de brander verstopt was, was de benzine vervuild. Het was nette Nederlandse benzine uit de pomp waar wij al jaaaaaren tanken en velen met ons. Niks geen Afrikaanse of Russische benzine. Maar goed, na een half jaar was hij gerepareerd en konden we hem weer ophalen.
Voor de zekerheid helemaal nieuwe Colemanfuel gekocht, want ook Colemanfuel kan verouderen en daar kan de brander misschien wel niet tegen ! Dus met genoeg nieuw geraffineerde Coleman naar Oost-Duitsland, waar we twee jaar eerder het spul niet konden kopen. En toen liet hij ons alsnog in de steek. Een slecht product, dus.
Honderd kilometer boven Berlijn ligt een groot gebied met meren : de Mecklenburgische Seenplatte. We hebben daar een kanotocht van zes dagen gemaakt, vanaf de camping Das Hexenwaeldchen in Blankenförde-Kakeldütt ( klik hier voor een verhaal over ons vorige bezoek in 2008 ). Onze kinderen waren 10 en 13 jaar. Zij voeren in onze kajaks, wij groten voeren in een kano, op de laatste twee dagen na, toen de jongste in de kano kwam varen.
Het eerste deel is het mooist omdat daar geen motorboten mogen varen. De natuur is er ongerepter en afwisselender. Op het laatst heb je alle meren wel gezien en lijken ze allemaal op elkaar. De Schwanenhavel is een belevenis op zich. Als je op google maps kijkt is het wel een beetje nep : de natuur langs de Schwanenhavel is soms maar vijf meter diep.
Dag 1 : Camping Hexenwäldchen, Blankenförde-Kakeldütt – Useriner See, Userin – Sluis Zwenzow – Grosser Labussee – Camping Klein Quassow
Dag 2 : Camping Klein Quassow – Woblitzsee – Wesenberg ( je kunt ook kamperen bij de haven ) – Camping Kanumühle
Dag 3 : Camping Kanumühle – Schwanenhavel – Plätlinsee – Wustrow – Kienzsee – Camping Seewalde ( wij stonden per ongeluk op een veld bij een antroposofisch vakantiepark, lekker rustig )
Dag 4 : Camping Seewalde – Gobenowsee – Labussee – Sluis Diemitz – Fleeth – Camping Mossensee ( is niet zo mooi, een bos met oude stacaravans, als cultureel verschijnsel nog wel aardig, en verder een kale vlakte. Langs het meer waar wij stonden nog wel leuk.
Dag 5 : Camping Mossensee – Mossensee – Zotzensee – Mirow – Mirower See – Camping Kanustation Mirow ( prachige camping, mooi vormgegeven, alles was er ( geen recreatteam, geen tig wasmachines, geen internetcafé, geen disco en geen speelhal, wel een strand, een volleybalstrand, kanokarren en goeie wc’s ) met de machinezaag uit bomen gezaagd beelden van Raik Vicent )
Dag 6 : Kanustation Mirow – Grosser Kotzower See – Mussel – Leppinsee – Taxi naar Babke, met een norse, kortaffe, mokkende chauffeur / eigenaar, typisch mijn vooroordeel-Oost-Duitser – Forel eten bij de Fischerei Babke, ik waagde het om tegen de chaffeur het verkeerde woord te gebruiken ; eet vooral versgerookte forel in Babke of Mirow of op het Hexenwaelchen – Jäthensee – Jamelsee – Camping Hexenwäldchen
11 juli 2010 is een warme dag. Ik ga naar Ameland. Ik heb een tweedehands slaap- plus bivakzak gekocht en ik wil slapen op het strand. De drie kilometer over het eiland zijn zwaar door de warmte. Op het strand is het koeler. Ik loop drie kwartier tot een uur, dan rust ik even, zwem even, eet een hapje chocolade. Dan weer verder. In de namiddag ben ik bij de NAM-lokatie. De duinen wijken, het strand wordt een vlakte. Ik zwem, eet en lig op het strand met zo weinig mogelijk kleren aan. Loop nog een kilometer verder. Hier blijf ik slapen. Het is geen probleem niets te doen terwijl het licht afneemt en blauwer wordt. Vogels staan te rusten aan de waterlijn. Het wordt kouder, ik moet kleren aan en als de zon onder is kruip ik al gauw in de slaapzak.
Om twaalf uur word ik wakker van druppels op mijn gezicht. In de verte weerlicht het, een prachtig gezicht.
Een kwartier later begint het te rommelen.
Weer een kwartier later krimp ik in elkaar van de continue bliksemflitsen en de donderslagen, een aantal per minuut. Het regent en het waait in vlagen zo hard dat ik mijn rugzak moet vasthouden. Ik kan nergens heen. Ik durf niet naar de lage duinen te lopen, een paar honderd meter verderop, en ik besef dat als de bliksem vlakbij inslaat ik het gevaar loop van stroom die door de natte bodem heenloopt. Op het platte strand lijkt me op mijn hurken zitten ook niets.
Het duurt eindeloos voor het onweer ophoudt en ik weer kan inslapen. Na drie kwartier begint het opnieuw. Pas om een uur of drie, half vier wordt alles rustig.
’s Ochtends is alles nat. Ik probeer naar huis te bellen maar heb geen bereik. Ik breek zo snel mogelijk op, loop zo snel mogelijk richting bewoonde wereld, maar pas na een paar kilometer is het eerste telefooncontact mogelijk.
Vorige week mijn nieuwe slaapcombinatie besteld en ontvangen ( bivakzak, matje, slaapzak + lakenzak ), een oude van het leger, zwaar en dik. Alles paste in en aan elkaar. Ik was verrast door het vernuft.
Plekje in de tuin gezocht. Het enige nadeel merkte ik al meteen na vijf minuten : je blijft er ook warm in bij min zoveel, dus zeker bij plus tien, ondanks uit mijn voorzorg minimale kleding. Na tien minuten met alleen het gezichtsopeningetje open wurmde ik me weer uit het ding. Ik heb met de rits half open geslapen.
Ik slaap buiten minder vast dan binnen. Om de zoveel tijd word ik wakker, steeds met het gevoel dat er iets niet deugt. Ik ben zó niet gewend om meteen de wolken te zien of struiken en om de wind, hoe zacht ook, te voelen. Toch wel mooi dat je gewoon buiten kunt slapen en dat er dan geen tent tussen zit. Gelukkig was er maar één mug.
Mooie kanotocht gemaakt, wel zwaar. Een rondje langs Grouw, de Alde Feanen, Drachten en Burgum. Als je nog eens in de buurt bent … door Wergea loopt een prachtig grachtje met hoog water en lage huisjes.
Wergea
Bij Grouw heerlijk thee gedronken aan het water, handig, een campingbrander mee, met een vette gevulde koek uit een campingwinkel aan de overkant van de dijk, zitten kletsen met twee eenden.
Bij Grouw
Om twee uur ben ik al bij de Alde Feanen. Het is mooi weer, dus druk, vooral met zeilboten, waarin tot mijn verbazing groepen Duitsers. Horen die niet in grote motorboten ? Nu ik zo vroeg ben besluit ik niet hier een slaapplaats te zoeken maar door te varen naar De Leyen. Wel eerst lekker rustig eten. Bij Drachten kom ik langs een strandje, waar ik dankbaar aanleg onder het starende oog van een vrouw, die op een picknicktafel zit. Het varen is nu wel pijnlijker. Het is een uur of vijf en merkbaar rustiger. Ik zet chocolademelk en ga even zwemmen.
Ik ben blij als ik tegen zevenen De Leyen opvaar. Het kost me veel tijd om een plek te vinden en om mijn slaapplek te maken. Dat valt me tegen. Ik ben ook niet tevreden over het onderkomen. Het hangt te laag en te slap, maar ik heb als bevestigingspunt alleen een laag wilgenbosje. Kook eten, maar eet tot mijn verbazing niet veel.
Het is wel fantastisch om buiten te liggen en meteen de struiken in te kijken. Ganzen vliegen op vijf meter afstand langs en schrikken als ze me opmerken. Zie een ree vrij dicht bij. De ondergaande zon over het meer is prachtig. Het mooist is nog het geluid van buiten en de toenemende stilte.
De terugtocht. Wind tegen, het is niet zo zonnig en windstil als gisteren. Ik ben bijna alleen op het Bergumer Meer met aardig wat golven. Als ik nu omval ga ik dood : te koud en niemand ziet het ( november 2010 : als ik met een aanwonende praat blijk je bijna overal in het meer te kunnen staan ).
Hoe langer de tocht duurt, hoe groter de worsteling en hoe zeerder het varen gaat doen. Ik ben blij als ik bij De Froskepolle lang kan uitrusten, in de zon en uit de wind.
Het is al donker. In een lange rij auto’s van het verzamelpunt naar een landweg langs een vaart. Spullen uit de auto, het bos in, zwart tegen de nachtlucht. Een pad gemarkeerd door kleine, hangende reflectoren leidt ons naar vuur onder een opgehangen parachute. Alleen mannen dit keer.
Beke legt uit waar je rekening mee moet houden en leer ons twee knopen, waarna we ergens daar ons zeil mogen ophangen en lekker gaan slapen. De herinnering aan een koude, natte en slapeloze nacht op het strand van Ameland (door een katoenen, donzen slaapzak, helemaal verkeerd) maken me niet gerust op de afloop. Maar ik slaap heerlijk met warmteonderbroek, dikke wollen sokken, warmtehemd en trui aan in twee slaapzakken (diezelfde donzen in een synthetische ) en met de muts op. Het ontwaken is fantastisch. Ik kijk meteen het bos in, natte boomstammen, natte bladeren en verderop is het dag. Nauwelijks geluid, wat vallende druppels misschien.
Zaterdagochtend vuur maken, met één krantenbladzij en twee lucifers. Het is nat. Alles is nat. Eerst bedenken we zelf een aanpak. Alle vuren worden besproken, zodat we ook leren waarom een aanpak níet werkt. Daarna een demonstratie en dan weer zelf proberen. Met alle opgedane kennis over opbouw, takjesdikte, afstand tot het vuur, wanneer zacht blazen, wanneer hard, het geluid van het vuur, lucht in de takjes lukt het beter. Ook als alles zo nat is kan je dus met minimale middelen vuur maken.
’s Middags bouwen we een onderkomen van materiaal uit het bos. Ik bouw een halve A-hut, niet meer dan een windscherm. Een lange draagbalk met stokken ertegenaan, bekleed met 30 cm humus. Pas als het donker is ben ik klaar. En kletsnat van de regen en de natte bladeren. Ik merk hoe lastig het is dat ik mijn zaklantaarn niet bij me heb en dat het heel erg lastig is dat ik hem ook niet kan vinden. Ik strompel met mijn slaapspullen in het donkere bos tweehonderd meter van mijn oude slaapplaats naar mijn A-hut. Gelukkig kan ik mij daar onbekommerd mijn kletsnatte katoenen onderbroek ontdoen. Trek nooit katoenen ondergoed aan als het nat kan worden. Het is erg koud.
Ik zie de nacht niet echt met vertrouwen tegemoet maar weer slaap ik heerlijk en ook nu is het een feest om de ogen op te slaan. Deze ochtend hangt een dikke nevel tussen de stammen. Het is vochtig, windstil en niet koud. Wel heel stil. Prachtig.
We gaan wandelen, zeil mee, touw mee. We moeten in steeds kortere tijd een onderkomen opspannen : 7 minuten, 5 minuten, 3 minuten en dan bespreken we of de zaak goed staat, juist ligt, of er geen dode takken boven hangen, die kunnen afbreken. Ik krijg zowaar handigheid in knopen en meestal lukt het me het zeil redelijk op te hangen. Ondertussen geeft Beke les in materialen om ’s middags vuur mee te maken. We zetten in één minuut een dak op tegen onweer, in één minuut een dak zonder grondpennen en nog één en nog één. Op de terugweg verzamel ik berkebast om het vuur te starten en de dunste takjes die ik kan vinden. Het is een enorm werk om een beker warme chocolademelk te maken. Vuurplaats maken en alle benodigdheden klaar leggen. Goed organiseren hoort erbij. Berkebast schrapen en scheuren en klaarleggen. Beke komt langs en leent me haar vuurijzer, waar je een vonkenregen mee kunt maken, en inderdaad, na ettelijke pogingen vlamt de berkebaststof. Het gaat even hard weer uit voor we een vuur hebben kunnen maken. Uiteindelijk lukt een klein vuurtje. Het is een heel werk het aan te houden, met veel blazen, zacht, vooral niet te hard. Af en toe moet ik heel snel heel dunne takjes halen, heel snel, want het vuur gaat dan uit en dan kan ik het net weer aanblazen, de nieuwe takjes toevoegen, wachten tot ze droog genoeg zijn om vlam te vatten en dan weer nieuwe takjes halen. Tot dan eindelijk stoom uit de billycan komt …! De chocolademelk smaakt heerlijk, ondanks de klonten poeder.
Conclusie
In november is buiten in Nederland onherbergzaam en hard. Denk je eens met hoeveel moeite de mensen hier duizend, tweeduizend jaar geleden overleefden. Buiten overleven is hard werk, alles kost tijd en moeite, en vereist kennis en organisatie. En goede spullen helpen ook een handje, maar dan moeten ze wel weer passen bij de situatie waarin je zit, en het vergt weer kennis om die goed in te schatten.
De cursus is van extrasurvival.nl ( klik hier om hun website te openen ), cursus Vuur en bivak. Het is een doe-cursus. Je bent steeds bezig en alles is aanleiding voor bespreking en aanwijzingen. Ik vond de cursus erg goed opgezet. Alleen in voor- en najaar, want dan leer je het meest door de omstandigheden van het seizoen.
Zelden zo’n mooie vakantie gehad. Het Hexenwaeldchen is een camping in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern, voormalige DDR, Noord-Oost-Duitsland. Haveloze gebouwen, massa’s ruwe kanostellingen, geen keurig geknipte hegjes, geen kortgeschoren grasveld, mulle zandpaden, sanitair met vele sporen van knutselwerk.
De mensen maken het je naar de zin. En ze zijn voorkomend, beleefd. In elk geval is het verschil met Nederlanders opvallend. Een doorsnee gezin aan een tafel naast ons in een restaurant bevestigde het vooroordeel van de luidruchtige, onwellevende Nederlander. Ze gaven de beste vertolking van de hooghartige, commanderende Duitser die mij voor de geest staat. De eerste keer terug thuis in een supermarkt was een cultuurschok.
Her en der hangen regels ( geen seks met twee personen of meer in de douches. Gevaar van uitglijden ). Ze wijken er vanaf als het kan, maar passen ze toe als het moet ( hoewel ik met betrekking tot het voorbeeld geen weet heb van actieve handhaving ).
’s Avonds na tien uur stilte. Die regel wordt gehandhaafd. Dat leidt tot een heerlijke stille nacht met plaatselijk vriendelijk geroezemoes. Het is trouwens zo enorm stil in dat gebied.
Gillen kan in een Kiesgrube even buiten de camping.
Daar is elke avond kampvuur. Ook als het stortregent. Op één avond zaten wij opgepropt in een overdekt podium, zeecontainerformaat, naar het kampvuur buiten te kijken en te luisteren naar een liedjeszanger met gitaar. Het enige nadeel is dat de winkel geen marshmallows verkoopt.
De winkel. Súterig in het Fries, niet flitsend, maar wél voorzien van alles wat een kanovaarder nodig heeft om de dag door te komen. Plus : Kuchen, heel weinig verse groete en fuit, blikvoer. Bier ! Neem Einsiedlerbier. En het belangrijkste : snoep en ijs. ’s Ochtends kan je met je beker langslopen om hem te laten vullen met koffie.
Die winkel, de winkeltijden. Staan duidelijk aangeplakt. De winkeltijden zijn er alleen om aan te geven wanneer de winkel dicht kán zijn. Maar soms is de winkel ineens dicht terwijl hij toch open moet zijn. Even wachten, gaat zo weer open.
’s Zaterdags vers gerookte vis. Alleen al de geur van het smeulend hout. Ohhh, lauwwarme forel zo uit de rookkast.
De camping ligt aan een meer. Daar kan je in zwemmen en je kunt er omheen lopen. Het water is prachtig helder : 1 m zicht soms. De wandeling leidt je door afwisselende natuur, op een kleine afstand.
Er is geen Animation om je kinderen bezig te houden. Dat is ook nergens voor nodig want er is zand en water, een hok met konijnen die je kunt aaien, een ezel en wat stokoude ponnies waar je aan kunt zitten, speeltoestellen. Elke dag een sprookjesverhaal – in het Duits, dus niet voor Nederlandse kinderen, maar het idee is heel knus.
Het meer is met een modderslootje verbonden met andere meren. Het gebied is bezaaid met meren en meertjes. Je mag er alleen met kano’s varen en dat gebeurt veel. Elke avond stroomt de camping vol met kanogroepen, elke ochtend stroomt hij weer leeg. Het geeft een leuke, bedrijvige sfeer.
Door het FKK verleden van de DDR’ers schrikt niemand ervan als je op rustige plaatsen naakt zwemt. Dat doen ze zelf ook als het zo uitkomt. De regel lijkt niet bij kinderen in de buurt, niet bij pakweg meer dan zes onbekenden, niet langs wegen waar vaker dan incidenteel verkeer is.
Tot slot : als groene container dienen twee varkens. Bij de varkens staat een bord : Streng verboden te voeren. Dat bord is echter alleen voor de veeïnspectie. Je etensresten worden met opgewonden geknor of gegil begroet. Oppassen voor modderspetters als de beesten begerig op hun achterpoten tegen het hek gaan staan. Verder lachen om het geschrok. Twee tegen elkaar aan slapende varkens ziet er zo lief uit. Tien meter van het Schweinegehege is de stank vervlogen.
Tot slot 2 : Ga naar Berlijn en ga met de trein. Neustrelitz heeft een station. Je koopt er een Familienausflugsbilligkarte of zo en je kunt voor 26 euro !!! vanaf 9 uur tot de volgende dag 3 uur ( meen ik ) met zijn vijven naar Berlijn en daar de hele dag vrij met het openbaar vervoer. Alleen het hoofdstation van Berlijn is al een belevenis. En hoe ver kom je in Nederland nu met 26 euro – alleen ? Wat is er met Nederland aan de hand ?
Dag 1 : Den Oever-Oudeschild-De Cocksdorp. Door de sluis, meteen een erg lange tocht voor iemand die nauwelijks getraind is. Overtijen in Oudeschild, in een lekker zonnetje, met vis. Aan het begin van de avond door naar De Cocksdorp, in de zonsondergang een hele omweg om het reservaat ten noordoosten van Texel heen. Slapen in een strandhuisje.
Dag 2 : Texel-Vlieland. Een kort eindje varen naar Vlieland. Pijn in mijn rechterpols. Rusten onder de aanvliegende vliegtuigen. Het woord kanotrektocht krijgt een nieuwe betekenis als we een heel eind moeten lopen over het wantij. Rustig de waddenkust van Vlieland langs, even over de Noordzee naar de opgang naar Stortemelk.
Dag 3 : Vlieland-Terschelling. Weer een korte tocht. De pijn in mijn pols is erger. Wel een lange kanodraagtocht van de haven naar camping De Dellewal, nu nog zonder bierkrattentorens. Koop ruim sporttape om de pols in te tapen.
Dag 4 : Terschelling-Ameland. Een rustige tocht. Het is heiig en windstil, alleen het plassen van de peddel, plas, drupdrupdrup, plas, drupdrupdrup. De sfeer maakt indruk. De tape werkt goed. De geul voor Ameland oversteken is een belevenis. We varen twintig, dertig graden naar het oosten om goed uit te komen bij de surfclub. Eten koken is een mislukking. Ik heb linzen mee, maar ze zijn niet geweekt en dus niet gaar te krijgen. We mogen niet slapen in het surfgebouw, dus slapen we buiten.
Dag 5 : Ameland-Engelsmanplaat. … alleen is mijn slaapzak volledig van katoen, met dons, dus niet geschikt voor nachtvochtigheid en dauw. Ik slaap slecht en ben verkleumd als ik opsta. Na twee kilometer varen gaat het niet meer. Jos en Janny slepen mij tot bijna eind Ameland. Dan zijn zíj bijna aan het eind van hun latijn. Ik ben dan weer aardig opgeknapt en kan zonder probleem zelf de route onderlangs Engelsmanplaat naar de oostoever varen.
Dag 6 : Engelsmanplaat-Simonszand. Vooral het laatste deel is prachtig : zo leeg. We rusten op het eind van Schier. Lekker tijd om te zwemmen. De laatste nacht op het wad. De kust van Groningen is me te dichtbij.
Dag 7 : Simonszand-Noordpolderzijl, het modderslootje naar de halen. Roggebrood met haring en jenever als afsluiting.