De afgelopen week moest ik het huishouden doen, werken en mijn spullen pakken. Vandaag, ’s avonds, na het werk, rijd ik naar Maastricht, de eerste stop op mijn reis naar het zuiden van Frankrijk. Ik ga naar Sospel voor vijf canyoningtochten. In Maastricht slaap ik in de Jeugdherberg. Ik rijd vreselijk fout. Door de omleidingen in verband met de verbouwing van de A2 neem ik een afslag te vroeg. Ik heb geen idee waar ik langs kom, maar na een half uur kom ik als door een wonder over de goede brug over de Maas.
Ik slaap op een kamer met drie Nederlanders, waarvan één uitstekend Duits spreekt. Hij kan praten met de Japanse, die in Duitsland gewoond heeft en die kan praten met de Engelsman, op zoek naar een kamer in Maastricht, die in Japan gewoond heeft en goed Japans spreekt. Ze doen een drinkspel als ik saai ga slapen.
De jeugdherberg van de mooie kant. Hij staat pal naast een ronde, betonnen afrit van de Kennedybrug.
Als je goed kijkt heeft Texel weinig natuurgebied. Er is de veelgeprezen Slufter, maar, behalve ’s ochtends vroeg, daar ben je altijd met veel mensen. Er is ‘bos’, aanplant, en in het zuiden een groot strand, met uitzicht op de marinehaven van Den Helder en duingebied, met aangelegde meren. De Hors, een slenk in het zuiden, grenst aan de veerhaven en is de thuishaven van de mariniers. Ik deel niet de verering die Jan Wolkers voor het eiland had.
Ik had geen zin in vakantie op Texel, wel in vakantie, maar niet daar. Jaren geleden waren we er een paar jaar achter elkaar geweest, leuk met kinderen, maar nu wist ik het wel. Vanwege de kinderen gingen we toch, het was onontkoombaar logisch. Ik maakte er het beste van, zwom alle twintig dag tenminste één keer in zee, fietste met en zonder dochter op de racefiets, keek vogels met S. Texel heeft dan weinig natuurschoon maar wel heel veel vogels, al waren de meeste al weer weg. Ze zijn er vooral in de broedtijd, mei, juni.
We maakten een lange wandeling van De Cocksdorp naar De Waal, door een eentonig polderlandschap dat je op de wal ook hebt, maar doorsneden door dijken en dijkjes. De Waal is pittoresk, maar ademt de dufheid van een gereformeerd dorp tijdens de middagdienst. Je zal er maar wonen als 15 jarige.
Waar het woord lemonade vast vandaan komt. Citroenlimonade is dus eigenlijk dubbelop. Geleerd van Anja van de boekwinkel. Snijd een citroen in stukjes en doe die in water. Hoe langer je ze laat staan, hoe meer bitter van de schil.
Om 05:35 sta ik op. S. is wakker, ik zeg haar gedag. Voor K. schrijf ik een briefje, dat ik vanochtend niet samen met haar ontbijt. Ik pak mijn telefoon, opdat ik hem niet vergeet, doe yoghurt bij de muesli, die ik al klaargezet heb, zoek in de rugzak naar mijn lange tight, die ik toch maar aantrek. Kleed me aan. Het weerbericht ziet er aardig uit.
Dan doe ik mijn rugzak om. Ik zet nog even de vuilnisemmer buiten. Het miezert, maar te weinig voor de regenjas. Bij de fabriek staat een bushalte. Door de wegwerkzaamheden vertrouw ik er niet op dat er ook een bus gaat stoppen, maar zo staat het wel op de dienstregeling. Ik was van plan om naar de volgende halte te lopen, en had daarvoor meer dan genoeg tijd gepland, maar het is nu 6:15 uur en ik ben veel sneller dan verwacht. Over tien minuten komt de bus. Maar om 6:25 uur geen bus. Ik ben bang dat ik hem gemist heb. Drie minuten later komt hij over het viadukt aanrijden. Ik word overdonderd door een joviale groet van de buschauffeur, een vrouw met kort blond haar. Ze is druk in gesprek met een passagier. Bij de volgende halte stapt hij uit. Ze nemen uitgebreid afscheid van elkaar. Hij gaat met vakantie. Het meisje dat een paar stoelen van de bestuurder zit, schiet naar de voorste stoel. Verderop raakt ze in gesprek met een andere passagier. Alsof het een stamkroeg is. Het meisje stapt uit in het volgende dorp. Ook zij neemt afscheid, voorgoed. “Ik zal je missen in de bus” zegt de chauffeur, ze sluit de deur, draait de weg op. De bus toetert zwaar en donker en de chauffeur strekt haar arm als groet.
Nog nooit kwam ik langs deze weg in de bus, alleen in de auto rijd ik hier al jaren. Ik zie de stad anders en aandachtiger, de huizen van voor de oorlog, die aan het eind van de oorlog op de foto staan met Canadese of Amerikaanse tanks, een lege straat met kleine bomen. De bus neemt een straat die ik niet ken, met de rommelige winkels waar mensen alleen komen als ze al weten dat de winkel er is.
Ik ben op tijd voor de trein. Ik pak de gratis krant mee. In de trein lees ik. Buiten regent het, ik ken het uitzicht, het is groen en de bebouwing en de koeien zijn niet spannend. Het nieuws ook niet.
In Harlingen stopt de trein pal naast een muur van basaltblokken, grijs en hoekig. En schoon. Nieuw ? Ik maak foto’s van een druilerige haven, waar niets beweegt behalve af en toe een auto over de brug, of een voorbijganger in vakantiekleding, vakantieregenkleding. Twee mannen maken te luide grappen terwijl ze naar de veerbootterminal lopen. In de vaargeul, niet ver van de havenmond, vaart een kotter met de netten hangend aan weerszijde van de romp. Ik loop de mannen achterna, dwaal in de kiosk met boeken, tijdschriften, Waddenspecialiteiten en sleutelhangers, en ook paracetamol, en vind daarna een plekje, helemaal alleen in een uitbouw van een restaurant, dat al flink vol zit met wachtende passagiers. Het is Oerol op Terschelling. Ik lees in Vrouwen schrijven niet met hun tieten, over ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Als je even afstapt van gemakkelijke oordelen is het indrukwekkend te lezen wat het betekent om er minder toe te doen. Ik drink muntthee en eet chocoladetaart.
Als de boot aangemeerd is wacht ik nog even voor ik naar de vertrekhal ga, de boot vertrekt toch niet meteen. Ik moet wachten voor ik door het scanpoortje kan. Daarna moet ik wachten voor de deur naar de boot opengaat. Ik waan mijzelf in de bergen als ik de trap naar de boot oploop. De deur zit op wat zal het zijn, zeven meter hoogte. Ook de boot is wachten. Buiten is het grijs. Een paar keer in anderhalf uur glijdt de top van een zeilboot langs het raam, een paal met touwen. Ik lees verder.
Op Vlieland is het droog. Ik loop door de dorpsstraat met zijn pittoreske, felgroene lindebomen. Ik ken het van vakanties in het hoogseizoen, dan is de straat vol. Nu niet, er slenteren enkel wat mensen met grijs haar en lichte zomerjassen. Waarom vinden bejaarden beige kleding zomers ? Bij de drogist koop ik een superabsorberend doekje, dat ik als lichtgewicht handdoek wil gebruiken. Bij de supermarkt koop ik een doosje chocolade-mueslirepen.
Ik ga op pad, het dorp uit, terug langs de veerboot, die nu roerloos aan de kade ligt, het plein uitgestorven, over de lage dijk van basaltblokken, waar een paar strekdammen uitsteken. Ze zijn bedekt met mossel- en oesterschelpen. Je zou er prima van kunnen eten. Ik trek mijn tight uit en mijn warmteshirt, veel te warm. Bij de jachthaven koop ik een blocnote en een pen, veel makkelijker dan notities maken in de telefoon. Dan loop ik het strand op.
Vlak bij de hoek van Vlieland, die ook echt een hoek is, één van zestig graden, met een punt van een meter, komt me een prachtige vrouw tegemoet, korte broek, stevige benen, gebruind, donker haar.
Aan het Noordzeestrand rust ik, op een reserve voorraadzakje om de billen droog te houden. Ik drink wat en eet een chocolademueslireep. Een Duits echtpaar loopt voorbij, hij met een zwarte pet op, een blauwe trui en een witte broek. Hij loopt moeizaam, maar aan zijn gezicht te zien jonger dan zijn beweging doet lijken. Ik overweeg om naakt te gaan zwemmen, maar er zijn me te veel mensen.
De rugzak is zwaar, niet zo zwaar als eerder wel, ik heb op het gewicht gelet, maar hij zit goed en draagt prettig. Ik denk aan Cheryl Strayed uit het boek Wild dat ik net gelezen heb. Zij had een veel te zware, grote rugzak met alleen al 10 kilo water. Ik lijd nog helemaal niet. En mijn nieuwe schoenen lopen goed. Ik heb ze vandaag voor het eerst aan en heb nog geen inloopproblemen.
Op het strand ligt het karkas van een vogel, met een grote, scherpe snavel, een zeekoet of een alk of iet dergelijks, ik weet het niet goed. Een bundel veren en een witte ruggegraat, zo’n 60 centimeter lang. Twee vrouwen komen ook kijken. ‘Aaaach’ zeggen ze, en we lachen.
Verderop besluit ik toch te gaan zwemmen. Het water is koud. De twee vrouwen lopen voorbij. Als ik mijn rugzak weer opdoe lopen vijf jongens en een meisje het strand op. Na een tijdje gaan ze het water in, zoals vaak is het meisje het dapperst.
Bij paviljoen Badhuis ga ik zitten. Ik heb zin in cappucino en nog meer taart. Ondertussen lees ik. Als ik na geruime tijd klaar ben met lezen is nog niemand van de bediening langs geweest om mijn bestelling op te nemen. Ik pak in en ga weer en vraag me af of iemand dat heeft opgemerkt. In elk geval heb ik niet mijn koffie met taart gehad.
Ik loop stevig door, tot paal 46. Nu gaat er wel van alles pijn doen, mijn voeten, mijn schouders en binnen in mijn hoofd, iets met gedachten. Paal 46 blijkt te ver. Ik ga in de duinen liggen. Een plek uit de wind is niet te vinden en de wind is fris. Net niet fris genoeg om de warmte van de zon te verjagen.
Aan de andere kant van het duin, in de luwte, is het warm. Nu moet ik een heel stuk teruglopen, over het fietspad, maar al heel snel zie ik iets wat lijkt op een overstap over de afrastering. Nieuwsgierig loop ik er heen. Er staat een officieel bord bij, dat je over het hek mag stappen. Er is geen pad te zien, blijkbaar mag je overal dwars doorheen banjeren, heel onnederlands. Aan de andere kant van het hek is begrazingsgebied, weiland dus, en de beesten mogen er ook dwars doorheen banjeren. Ik vermoed koeien, het staat dacht ik ook op het bord, maar ik zie ze niet en ik zie ook geen keutels of koeievlaaien. Bij elke stap knispert de houtige kruidlaag. Ze geurt heerlijk. Na een paar honderd meter zie ik wel een schaap.
Het lopen met de rugzak is nu zwaar. Na door een lekker koel bosje te zijn gelopen moet ik nog 1,3 km langs de hete weg. Wel geurt de kamperfoelie heerlijk.
Bij de camping zit ik lang in de schaduw van het kantoor. Het is heerlijk uitrusten. Een stel is lang in de weer met de zuil, waar je moet inchecken. Ik stel me voor dat er een enorme rij ontstaat als in het hoogseizoen de boot aan is.
Check in, maar kies de verkeerde plek, pal op de wind, terwijl ik nog zo, serieus doend met mijn kompas, had gekeken waar de wind vandaan kwam. Wat een oen. Ik baal. Het opzetten van de tarp kost me veel tijd, maar ik ben tevreden als hij staat.
Maak goulash uit een trekkersmaaltijdzak, water erbij en tien minuten laten staan. Een buurvrouw komt kijken naar mijn tent. We maken een praatje. App naar huis.
In het toiletgebouw nestelen boerenzwaluwen.
Zaterdag 15,5 km zonder rugzak
Slaap slecht, maar besluit me er niet druk over te maken en te kijken wat er van komt. Zou mijn plan moeten uitvoeren om op de Vliehors te wanden, maar blijf liggen, lees, eet mijn muesli met melk. Zonder yoghurt smaakt die vreselijk.
Ik kan maar niet bedenken wat ik mee zal nemen aan kleding en andere spullen. Op den duur is het toch tijd. Ik ruim op, zorg dat alles droog is. Ik hoop dat de tarp blijft staan. Prop alle spullen in de zakken van mijn regenjas.
Ben erg op tijd bij de bushalte. Het begint te regenen. Ik ga schuilen achter een elektriciteitskast, onder een eik. Naast mij komt een stel schuilen, ze zijn op de fiets. Ik besteed geen aandacht aan ze en verroer me zo weinig mogelijk. Zij haalt haar neus op, alsof ze huilt. Zouden ze uit elkaar gaan ? Hebben ze een kind verloren ? Is ze een psychiatrisch geval, of hij ? Mishandelt hij haar ?
Koop een retour in de bus en kom in geen tijd aan bij het Posthuis. Loop het pad op langs de Kroonspolder. Het stinkt naar vogelpoep. Er is geen verband maar ik krijg een nogal sterke aandrang om te poepen. Het kost me eindeloos tijd om een goede plek te vinden, uit het zicht van mensen. Uiteindelijk poep ik op de keien van de doorbraak van de Waddenzee naar de polders, een enorme, lichtbruine hoop. Ik veeg mijn billen af met zeewier. Later veeg ik na met het water. De hoop bedek ik met een paar stenen en ik neem me voor om voor ik iets in mijn mond steek, mijn handen goed te wassen.
Het pad gaat na een tijdje door struikgewas, spannend en mooi en geurig. Eén keer kan ik richting strand, aan de Waddenzijde. Die afslag neem ik niet. Uiteindelijk kom ik uit bij het gebouw van het artillerieschietkamp, dreigend, okerkleurig, zwarte ruiten met ruitenwissers en roestsporen.
Daar sla ik af richting strand. Vanaf het gebouw loopt een lijn palen naar de Waddenzee, overal liggen bandensporen en af en toe een ronde kuil in het zand, netjes, steeds dezelfde vorm, alsof er ufo’s zijn geland. Het zal met tanks of geschut te maken hebben.
Verderop, tegen een duin, loopt een stel, waarvan één wild met een jas boven het hoofd loopt te zwaaien, om de meeuwen op afstand te houden. Ga dan iets verder lopen. Als ik de bocht omloop, een flauwe bocht langs lage duinen, zie ik het vliegtuigschietterrein, rijen zwarte dingen en de zwart-geel geblokte verkeerstoren. Het is net een industrieterrein met zandbulten, het vernielt de magie van de leegte. Ik loop richting Noordzeestrand en het industrieterrein gaat niet weg. Dan zie ik rechts van mij ook weer het artilleriegebouw.
Een donkere wolk komt op mij af : regen. Ik kleed me uit en doe alles in mijn regenjas. Zo blijft alles droog, mijn huid kan prima tegen de regen. De eerste druppels maken me een beetje koud, daarna voelt het goed. Bij de zee overweeg ik of ik links of rechtsaf zal slaan, verder de Vliehors op of terug. Ik ga terug. Als ik naar het eind van het eiland loop, zal ik op de terugweg weer langs de schietrange moeten, het industrieterrein, en zal ik me weer verraden voelen. De Vliehors wordt niet alleen ontsierd door vliegtuigbakens en een vuurleidingstoren, maar ook door waarschuwingsborden, bandensporen, allerlei plastic troep, het strand ligt er bezaaid mee, en ook de palen van Rijkswaterstaat vind ik ineens ergerlijk.
Weer terug bij het Posthuis bestel ik tomatensoep met extra brood, maar bij de soep blijken ook al twee plakken brood te liggen. Ik eet alles op, dan hoef ik geen eten meer te maken.
Met de bus – ik moet lang wachten in de koude wind – rijd ik naar het dorp. De chauffeur herkent me van vanochtend en vraagt of ik naar Lange Paal moet, maar ik wil ijs eten in het dorp. Ik geniet van de busreis, het is een soort rondrit. De bus doet elke plek op het eiland aan waar maar mensen verwacht kunnen worden.
Het dorp is rustig. Ik eet ijs bij Min 12, Rolo en panna cotta, maar ik vind de smaken matig en ze lijken te veel op elkaar. Het is een slechte combinatie.
Ik loop terug naar de camping. De hele dag ben ik al stijf als ik even niet bewogen heb. Het kost moeite weer op gang te komen. Op de camping maak ik foto’s van de zwaluwen, die rond mijn benen vliegen als ik over het gras naar de tarp loop. Ik leg mijn slaapzak uit, kruip erin, zet thee en ga lezen. De thee drink ik half op, ik heb geen zin en wil ’s nachts niet mijn slaapzak uit hoeven.
Zondag 32 km zonder rugzak
Overal bloeit vlier, klein in droge duinen, ergens in een boomwal, zes meter hoog, met brede, volle schermen waar het vochtig is en dunne, open schermen waar het droog is. De stilte op het eiland is prachtig.
Op pad voor koffie met taart in het dorp. Bij het begin van het dorp trek ik mijn lange tight uit. Achter mij is een bloemenweide met een touw eromheen en een insectenhotel, zoals ik meer ben tegengekomen. Ze zijn totaal overbodig, het eiland is één wilde bloemenweide. Op een hek bedelt een mussenjong met wapperende vleugels om eten bij de moeder. Het krijgt niets. Moeder vliegt weg : zelf doen.
Bedenk dat ik yoghurt wil, voor in de muesli. De supermarkt in de dorpsstraat is gesloten op zondag. Loop door naar Stortemelk. De campingwinkel is open en heeft nog één pak yoghurt. Dat is voor mij. Ik koop drie doughnuts, één choco, één roze, één naturel. De Bolder is nog dicht, dus geen koffie. Ik eet twee doughnuts op een bankje bij het sportveld. Daar heb ik nooit gezeten in de tijd dat we er kampeerden.
Kijk bij de bootsteiger naar de vertrekkende boot. Uitlaatgassen komen uit vier uitlaten, twee grote en twee kleine, van de boegschroeven. De boot vertrekt door met de stuurboordschroef af te zetten tegen de kade. Zet mijn bootkaartje om naar een dag eerder. De kassamevrouw over mijn hoofd tegen een fors uitgevallen collega: Ik ga bellen naar de boot voor extra plaatsen, anders wil ik beveiliging.
Ik wil koffie drinken, maar vind geen leuke plek. Ik kuier naar het eind van het dorp. Bij het instectenhotel eet ik de laatste doughnut, de chocolade. Niet bijzonder lekker.
Loop verder langs de wadrand. Het mooie van Vlieland is de Waddendijk. Die is niet op deltahoogte, tenminste niet na het dorp. Bij laag water loopt je 2 meter boven het wadslik, nu het hoogwater is klotst het water een meter onder mij tegen het stenen talud.
De wulp vliegt niet op. Ik zie wel veel lepelaars. De wal ligt bezaaid met leeggegeten krabbeschalen en afgescheurde krabbepoten.
Ga langs bij Lange Paal om de yoghurt weg te zetten. Laat ook de tight daar, de zon schijnt ! Zwaluwen scheren om mijn benen.
Op het wad tel ik veertig lepelaars, verderop nog meer ! Verderop komen mij een man en een vrouw tegemoet. De vrouw spreekt mij aan : verderop ligt een jonge zeehond op de dijk. Ik denk hem vervolgens steeds te zien, een zwarte stip op de drooggevallen waddenbodem, maar uiteindelijk ligt hij toch hoog op de dijk. Hij is veel kleiner dan ik dacht, grijs en wollig. Hij lijkt zich als een hond of kat naar mij te richten, maar ik ben bang voor verstoring of een beet en laat hem.
Verderop lijkt een wit, glazen huis op de rand van het wad te staan. De dijk is daar al geëindigd. Het irriteert me dat daar iets staat. Er staan microfoons met harige windremmers en allerlei andere apparatuur. Twee mannen zijn bezig en merken mijn niet op tot ik bijna tegen ze aanloop als ik ze passeer. Verderop staan een vrachtwagen van Omrop Fryslân met de tekst ‘Voor ons is 2018 al begonnen’, een bestelbus en een aggregaat, dat zoemt.
Ik loop naar de vogelkijkhut. Daar is niemand. Vogels zijn ook niet te zien, terwijl het toch laag water is. De hut is overbodig. Wel hangt er een kaart van het Waddengebied, waaruit goed blijkt, dat Nederland de grenzen van het Werelderfgoed het karigst heeft getrokken, namelijks langs de Waddendijken. Natuurlijk mag de economie geen last hebben van een natuurgebied, gasboringen bijvoorbeeld. In Duitsland en Denemarken liggen de grenzen soms ver de zee in.
Ik loop over de weg door Bomenland. De begroeiing is dicht, saai, maar lekker koel. Omgevallen dennen zijn niet afgevoerd maar zijn blijven liggen. Ik zie het pad waar we ooit en ik een spelletje speelden, toen we op de bus wachtten.
Als het bos ophoudt loop ik langs een gemaaid grasveld waarin ik plotseling orchideeën ontdek. Het zijn er heel veel, ook witte denk ik te zien, maar ik ken geen iele, witte orchidee.
Bij het Posthuis bestel ik muntthee met taart, weer een andere, appeltaart met cranberrysaus. Tot mijn verbazing voegt de saus iets toe, maar de appeltaart is matig.
Ik loop over het strand naar het andere eind van Vlieland. Het is vloed geworden. Het laatste, dwarse stukje staat het water tot aan de duinen, die hier versterkt zijn met basalt. Ik loop door het water. Andere mensen lopen door de duinen en staren naar mij. Tegenover de veerbootstijger ga ik een druk café/restaurant binnen. Er is nog een vrij tafeltje. Ik ben blij met de warmte, bestel bitterballen en Radler met citroen en munt. Ze hebben alleen met citroen, maar doen er voor mij een takje munt in.
Achter de huizen van het dorp trek ik mijn isolatieshirt en regenpakjas aan. Geen ijs vandaag en geen belangstelling voor de achtertuinen, die je vanaf de dijk kunt bekijken.
Ik schat dat ik tot de rij dennen moet, heel in de verte, waar de weg naar rechts buigt. Onderweg kom ik langs het broedgebied van de meeuwen. Ze zweven krijsend boven mij. De wulp is er weer niet. Er zijn ook geen mensen, alleen komen mij twee busjes tegemoet. Ze zullen bij het Posthuis zijn geweest, hoewel, alleen eilanders mogen een auto gebruiken. Bij de bushalte maak ik aantekeningen in een wachtkamer, een picknickbank helemaal omringd door twee meter hoge Rosa Rugosa.
Ik zet de tarp lager. Het wordt een nacht vol regen. Ook morgen zal het regenen, de hele dag. Morgen ga ik weer naar huis. Ik maak thee, kruip in mijn slaapzak en ga lezen tot het schemerig is en te donker.
Maandag 11,6 km met rugzak
Het waait hard en het regent hard, de hele dag, de hele reis terug naar huis.
Alastair Humphreys bedacht ‘micro avontuur’ ( hier de link naar zijn website alastairhumphreys.com ). Hij maakte, als ik me goed herinner, een wandeling van 188 km. langs de rondsnelweg M25 van London en ontdekte daar natuur en prachtige landschappen. Een avontuur vlakbij huis, waar niemand, hij niet in elk geval, avontuur voor mogelijk hield.
Het is ook niet het avontuur van lopen op een bergkam van een halve meter breed op drie kiometer hoogte, terwijl windvlagen je aan het wankelen brengen en windstiltes je terug doen wankelen, zodat je bewust elke stap moet zetten om niet 500 meter neer te storten, links, of rechts, zodat je elke onderdeel van elke seconde je omgeving beseft. Dat heeft ook zo zijn beperkingen, want zie je hoe het zonlicht de rots kleurt en zie je de vorm van de schaduw daar links en hoor je hoe een vallende steen steeds verderweg tegen de berg botst en brandt zich dat geluid in je herinnering zodat je later, terwijl je aan tafel naar de grashalmen in het weiland kijkt, je de stilte in de bergen nog kent door het geluid van die vallende steen ? Is elke stap op de grens tussen leven en dood van evenveel betekenis als het geluid van een vallende steen op anderhalve kilometer van één van de topattracties in Zwitserland ?
Is micro-avontuur wel avontuur ?
Volgens de Van Dale is avontuur : 1) iets ongewoons, onverwachts, zonderling dat iemand overkomt ; 2) een riskante onderneming. Riskant kan ‘gevaarlijk’ betekenen of ‘met onbekende uitkomst’. Altijd is avontuur emotie, spanning, angst, bijzonder, buitengewone alertheid. Je hoort en leest van bergbeklimmers en andere risicobezigheden wel de opmerking, dat ze tijdens hun avontuur intens leven, dat ze dan pas het gevoel hebben dat ze leven, zozeer, dat ze de dood op de koop nemen ( dan heb ik in elk geval echt geleefd, in tegenstelling tot de ambtenaar achter zijn pc op kantoor. Die is dood ).
Kortom, een kop koffie maken op je gasbrander in de pauze van het werk buiten is ongewoon en zonderling, het maakt mij erg gelukkig, een beetje vakantie tijdens een werkdag, dus er is wel emotie, maar er is geen risico ( behalve het sociale risico om als zonderling door het leven te gaan ) en dus geen avontuur.
En de wandeling langs de A25 rond Londen ? Ik ben bang dat ik die wegens het ontbreken van risico ook de status van avontuur moet ontnemen. Het zal best mooi zijn, we hebben ooit eens vlak bij Londen gekampeerd, ronduit idyllisch, wel op een knollenveld – op zich ook een ontdekking dat Engelsen anti-lawns kunnen voortbrengen – maar volledig gespeend van risico en dus niet echt een avontuur. Wil je van een wandeling rond Londen een avontuur maken, ga dan op de A25 lopen.
Ik zoek op internet naar mensen die de Aotearoatrail lopen. Dat zijn er toch meer dan ik dacht. Zo bijzonder is het stel Lancewood dus niet (zie 20-2-2016). Wel bijzonder is, dat ze het volgens mij heel rustig aan doen en zelf vlees schieten en brood bakken.
Ik ontdek de term thru hiking, rugzaktrekken met zo weinig mogelijk bepakking. Dat heeft raakvlakken met bushcraft. Terecht stelt Wikipedia, dat je uitrusting (gear) kunt vervangen door vaardigheden (skills). Het is een soort prestatietrekken, veeldaagse paden zo snel mogelijk lopen, paden zoals de Appelachian Trail en de Pacific Crest Trail. Jammer is dan wel , dat de wandelaar geen tijd heeft of neemt om uitgebreid van de omgeving te genieten. Ik ontdek de mooie site van solohobo.com (Ashley Hill). De template is beperkt tot het noodzakelijke (iets te : een archieffunctie mist) en de toon is een opgewekte babbel. Ze maakt prachtige foto’swat ook weer niet zo moeilijk is in dat landschap, ze heeft geen concessies gedaan aan de camera en sjouwt een zwaar apparaat mee.
In vijf maanden loopt ze de Pacific Crest Trail. Net als in de film Wild (naar de belevenissen van
Cheryl Strayed, gespeeld door Reese Witherspoon) begint Ashley Hill de tocht na het overlijden van haar moeder. Ashley pakt het wat verstandiger aan als Cheryl, die in het niet valt bij haar rugzak en daaronder zowat bezwijkt. Op het eind wordt ze nog verstandiger en gaat ze het rustig aan doen : “There was a time when I wanted to finish the PCT in under four months. It was like a race… and then this beautiful shift happened somewhere in the Sierra. I made it before the snow hit and realized that I’ve never been happier in my entire life. I don’t know when I’ll be back on a major thru-hike again so why not make it last? I’ve taken 49 zero mile days and am about 3 nights from the end.” (8-12-2014)
Hoe dat gaat. Mijn dochter volleybalt. Ze heeft een uitwedstrijd en ik moet rijden, maar zij is al in de plaats waar de wedstrijd wordt gespeelt. Ze oefent met een klasgenoot een stuk voor school got talent. Op de afgesproken plek staan drie auto´s, één te veel voor een volleybalteam. Ik rijd mee met de opa van Merijn, en met Merijn en Jamie. Merijn gaat over twee weken naar Sint Maarten, om vandaar met een boot en twintig, dertig anderen terug te varen naar Nederland. Ze zullen langdurig op elkaar aangewezen zijn.
Zo komen we op de programma´s van Floortje Dessing. Zij bezoekt mensen die ´aan het einde van de wereld´ leven, op zichzelf teruggeworpen, alleen, in onbereikbare uithoeken. De opa van Merijn heeft een programma gezien van een man en een vrouw, oorspronkelijk uit Nederland, die ergens in een tentje wonen.
Ik zoek meteen het programma op. Het gaat om een vrouw met een veel oudere man, die een wandelpad lopen van noord naar zuid Nieuw Zeeland. Het is zo´n prachtig progamma. Nieuw Zeeland is zo mooi, ze verblijven in een paradijselijk deel, groen en aan een riviertje. De vrouw is prachtig, krachtig, gespierd. Alleen haar stem en dictie … De man lijkt een watje, met een lange kluwen haar en gegroefd gezicht, waarmee hij vooral staart naar haar, die het werk doet. Maar de paar zinnen die hij zegt, met zachte stem, doen me vermoeden dat er meer kracht inzit dan het lijkt.
Ik zou ze zo na willen doen. Ze leven van bonen, van dieren die zij schiet (de uitzending heeft een prachtige scène waarin zij een haas schiet) en van brood, dat ze in een dutch oven bakken op een houtskoolvuur. En Nieuw-Zeeland is zo prachtig. Om daar anderhalf jaar in rond te lopen.
Het pakket bevat het minimum voor snijwonden (pleisters, doeken, verband), schaafwonden (ontsmetting,), brandwondjes (pleisters), breuken (doeken), verstuikingen (tape, verband). Verder pijntillers, anti-uitdroging en laxatie. Voor stabilisatie heb je tentpennen of takken, tape, doeken, kleding, touw. En een mes en een zaag heb ik bij me.
De laatste twee zaken uit de onderstaande lijst zijn na de foto boven aan de lijst toegevoegd.
Begin december gekocht. Ik ben er niet blij mee ; koop een Petzl !
Ik kocht de lamp omdat mijn oude Petzl na jaren stuk was gegaan, omdat ik een lamp wilde met rood (nacht-)licht en omdat deze Black Diamond net iets goedkoper was dan de vergelijkbare Petzl.
De bevestiging van het lampgedeelte aan het hoofdbandgedeelte is ronduit knullig. Bij de tweede keer openen schoot één van de bevestigingslussen los. Het kostte me een kwartier om hem weer vast te maken, en dat was thuis, niet eens in het bos. Nou is het niet per sé nodig om die bevestiging vast te maken, maar als hij er toch is, laat hij dan functioneren.
Bij al het gedoe raakte de rubberen knop aan de bovenzijde uit zijn houder. Ook het herstel daarvan kostte weer enige moeite. Dit deed mij wel twijfelen aan de waterdichtheid van de lamp. Toen ik hem zojuist weer openmaakte bleek de binnenkant vol te zitten met stof. Kortom, de lamp is niet eens stofdicht. Hij heeft sinds de aankoop op zeven december vooral in mijn dagelijkse rugzak gezeten. Ik twijfel of de lamp een regenbui en enkele uren overleeft.
De voornaamste reden van de koop van deze lamp was, dat hij ook rood licht geeft. Mijn oude Petzl had daarvoor een rood filter, deze Black Diamond heeft twee rode LED-lampjes. De nieuwe Petzls hebben dat overigens ook. De lichtopbrengst van de Black Diamond vind ik onvoldoende. Ik kon in het donker niet gemakkelijk kaartlezen. Misschien dat de lichtsterkte voor jongere ogen voldoende is, maar ik ben 50+ en heb ik de bij mijn leeftijd passende ogen.
Advies : koop een Petzl. Die zal in elk geval evenveel licht geven, maar zal, afgaande op ervaringen uit het verleden, waterdichter zijn en beter in elkaar steken.
Afgelopen zomer heb ik geprobeerd vuur te maken met een vuurboog. Ik had een mooi stuk vlierhout gezaagd, wat filmpjes gekeken, op internet gezocht … het werd een jammerlijke mislukking. En dat terwijl je gewoon met IKEA-spullen vuur kunt maken. Klik hier voor het filmpje.
Ik heb al eens een cursus vuur en bivak gevolgd bij Extrasurvival, maar daar ontbrak het werken met een vuurboog. Siegurd.nl biedt een introductiecursus vuur aan van één dag gevolgd door een cursusvuurboog van nog een dag. Die moet ik hebben ! Een hele dag voor een vuurboog. Helaas was een hele dag niet genoeg om een vuur aan het branden te krijgen. Geen idee waar het aan lag, of het moet zijn geweest dat we het probeerden met sparrehout. Siegurd vertelde aan het eind van de cursus dat dit moeilijk hout was.
Het was in elk geval gezellig rond het haardvuur met een ketel kokend water. Lekker in de bivakzak geslapen (nou ja, ik slaap buiten altijd heel licht) en het was een mooie omgeving.